Met A Quiet Place in de bioscopen wordt het belang van stilte in de zevende kunst nog eens stevig benadrukt. Maar de intense scifi-thriller van John Krasinski is lang niet de enige film die op slimme wijze met de auditieve kwaliteiten van cinema speelt.

De afwezigheid van geluid of dialoog in film is geen evidentie. Weinig filmmakers durven het aan om de geluidsknop van hun film naar beneden te draaien uit vrees dat ze de aandacht van hun publiek verliezen. Zeker in Hollywood zijn films die op de klankband worden dichtgeplamuurd met muziek en luide sound effects schering en inslag.

En toch zijn er soms producties die het wel aandurven om te spelen met stilte. Films die er niet voor terugdeinzen om in te gaan tegen de verwachtingen van de kijker. Veelal gaat het dan om langspelers die stilte bewust als een instrument gebruiken om een verhaal te vertellen. A Quiet Place is het recentste voorbeeld, maar de afgelopen jaren deden prenten als Wonderstruck, The Tribe, The Artist en WALL-E gelijkaardige dingen, met vaak grootse cinema als eindresultaat.

Er gebeurt iets vreemd als je je als filmkijker plots bewust wordt van stilte in een film. Je blik wordt meer dan ooit opgeëist door wat er zich op het scherm afspeelt. Er ontstaat ook een subtiele spanning. Een onbehagelijke gevoel. Het maakt je bewust van de realiteit die zich op het doek afspeelt. Het trekt je betrokkenheid tot het verhaal naar een hoogtepunt, zeg maar.

De volgende films illustreren alvast wat een sterk wapen stilte in film kan zijn.

Duck Soup (1933)

Het tijdperk van de stille film zat in de jaren dertig nog fris in het geheugen. Laat het je dan ook niet verbazen dat filmmakers vaak nog eens teruggrepen naar de beeldtaal van toen. Zeker in komedies kwam dit nog veel voor. Niet enkel Charlie Chaplin deed dat, maar ook The Marx Brothers. Het mooiste bewijs: de legendarische spiegelscène uit Duck Soup. De bijna totale afwezigheid van geluid en muziek zorgen ervoor dat de grap volledig vrij spel krijgt, met komisch filmgoud als resultaat.

Du Rififi chez les hommes (1955)

Deze Franse misdaadklassieker bevat mogelijk de strafste diefstalscène uit de filmgeschiedenis. Een half uur lang trachten enkele inbrekers zo stil mogelijk juwelen te stelen uit een winkelpand. Het levert cinema op die je zelfs vandaag nog met verstomming slaat. Simpel: één van de beste toepassingen van filmische stilte sinds de komst van de geluidscinema.

Bande à part (1964)

Laat het aan Jean-Luc Godard over om stilte op een zeer zelfbewuste manier toe te passen. De personages van de Nouvelle Vague-meester lijken zich er vaak van bewust dat ze vertoeven in een filmwereld en dat is in Bande à part niet anders. Wanneer ze zich afvragen hoe een minuut stilte ervaart, dropt Godard hen letterlijk in een minuut stilte. De grapjas!

Playtime (1967)

Nog een mooi voorbeeld van hoe weinig geluid en comedy hand in hand gaan. De Franse komiek-acteur-regisseur Jacques Tati had niet meer nodig dan enkele meubels, machines of voorwerpen om zijn publiek aan het lachen te brengen en om de ridiculiteit van onze moderne maatschappij in de verf te zetten.

Raging bull (1980)

De films van Martin Scorsese staan meestal bol van swingende soundtracks die weinig ruimte laten voor stiltes. Toch weet ook Marty af en toe de kracht van een stil moment te appreciëren. Kijk maar naar de boksscène van Jake LaMotta tegen Sugar Ray Robinson in Raging Bull. Scorsese zuigt tijdens dat gevecht praktisch al het geluid uit de boksring om de intensiteit van het gevecht en de indrukwekkende verschijningen van de twee bokstitanen te benadrukken.

All is Lost (2013)

Robert Redford is in All Is Lost een man overgeleverd aan de grillen van de natuur. Hij dobbert moederziel alleen op een boot op het ruime sop. Hij heeft dus niet echt iemand om tegen te praten, waardoor deze film amper dialogen bevat. Een stille overlevingsstrijd dus, een die puur steunt op de visuele kwaliteiten van de filmkunst. Gewaagd maar geslaagd.