Een jonge vrouw vecht tegen een forse windhoos waardoor ze diagonaal over het beeld wordt uitgesmeerd – even lijkt ze zelfs te zweven. Het shot zit middenin ‘Una Mujer Fantastisca’ en het etaleert niet alleen de onoverwinnelijke veerkracht van de vrouw in kwestie, maar staalt ook de visuele bravoure waarmee de regisseur respect voor haar afdwingt. Goed voor een Oscar voor ‘beste niet-Engelstalige film’.

Cabaretzangeres Marina Vidal, vertolkt door transactrice Daniela Vega, is in many ways een fantastische vrouw. De titel zit de film dus als gegoten, waardoor de ironie des te bitter smaakt: Vidals vrouwelijkheid wordt door haar omgeving in vraag gesteld, haar kwalijk genomen, verboden. De Chileense regisseur Sebastián Lelio (Gloria) bokste ter verdediging van zijn hoofdpersonage een filmische tweespalt in elkaar. Een zintuiglijke verbeelding van een vers rouwproces enerzijds, maar evenzeer een dromerige inkijk in de transervaring anno vandaag.

Wanneer Marina’s geliefde sterft, ontneemt de schoonfamilie haar elke vorm van bestaansrecht. Ze weigeren materieel zeggenschap, verbannen haar van de begrafenis en kidnappen de hond. Lelio had er zich met een meelijwekkend slachtofferportret makkelijk van af kunnen maken, maar gelukkig weet hij beter. Zijn film lijkt wel een spiegelpaleis (de reflecties zitten overal) dat het conflict niet schuwt: Marina komt meermaals loodrecht tegenover haar antagonisten te staan. Terwijl ze zelfzeker verder schaakt voor rechtvaardigheid. En haar hond.

Het is dat zelfvertrouwen en die eigenwaarde die in ‘Una Mujer Fantastica’ prachtig wordt verbeeld. Benjamín Echazaretta’s cinematografie is strak, intelligent en op maat gemaakt: de beeldvertelling doet Vidal – en daarmee ook Vega – alle eer aan. In het brede scherm plaatst hij haar frequent centraal of mag ze elegant lateraal van rechts naar links manoeuvreren, de camera volgt wel.

Bovendien toetst Lelio een gevoelig realisme af met fantastische, soms melancholische interludia. Tijdens een queer musicalnummer – gouden tenues, uptempo popdeuntje, synchrone choreo – herrijst Marina als een glinsterende feniks. Ze veert, letterlijk, naar boven en grijpt zonder verpinken de blik van de kijker. Nog zo’n confrontatie, maar wel één vol trots. Een vogel die fluit om erkenning.

Vega’s charisma is een zegen: als Lelio’s muze (hij schreef de film met haar in het achterhoofd) acteert ze met een zin voor mysterie en flair. Niet enkel het einde herinnert aan Lelio’s vorige langspeler, waarin titelpersonage Gloria – een vrouw op leeftijd die op vergelijkbare manier door de maatschappij aan de kant wordt geveegd – haar solonummer danst. In een prent die barst van de echo’s, krijgt Vidal hier de laatste noot te zingen. Dit is haar film.